Clublied

Aesculapia moet marcheren,
De porren komen aan, ja aan.
Poepen zullen wij nooit verleren,
Want hij blijft altijd staan, ja staan.

Met ons kapotje, met ons klein zotje,
En met de stoten van onze kloten.
Met onze knuppel kunnen wij je naar de hemel,
Ja, naar de hemel laten gaan
met onze knuppel kunnen wij je naar de hemel
ja, naar de hemel laten gaan

Wij weten niet van stoppen,
Wij weten niet van gaan, ja gaan.
Als ’t bier komt op de proppen,
Zijn wij niet weg te slaan, ja slaan.

Met ons kapotje, met ons klein zotje,
En met de stoten van onze kloten.
Met onze knuppel kunnen wij je naar de hemel,
Ja, naar de hemel laten gaan
met onze knuppel kunnen wij je naar de hemel
ja, naar de hemel laten gaan

Aesculapia moet studeren,
Dat hebben wij nooit gedaan, ja daan.
Welke prof zal ons dat leren,
Hij laat ons altijd staan, ja staan.

Met ons kapotje, met ons klein zotje,
En met de stoten van onze kloten.
Met onze knuppel kunnen wij je naar de hemel,
Ja, naar de hemel laten gaan
met onze knuppel kunnen wij je naar de hemel
ja, naar de hemel laten gaan